Rasbeschrijving » Ras

Rasbeschrijving

In het kort:
De Hollandse Herdershond is er in drie variëteiten, de kort-, lang en ruwhaar. Het is een middelgrote, middelzware hond; de reuen worden 57-62 cm en de teven 55-60 cm hoog. Het gewicht van de reu is ca. 28 kg en van een teef ca. 23 kg. De kleuren variëren van zilver- tot goudgestroomd en bij de ruwhaar is ook blauwgrijs en peper-en-zout toegestaan.

Algemene verschijning:
Een middelgrote, middelzware, flink gespierde hond van krachtige, evenredige bouw; met intelligente uitdrukking en levendig temperament.

Karaktereigenschappen:
Aanhankelijk, gehoorzaam, volgzaam, waakzaam, paraat, zeer trouw en betrouwbaar, weinig eisend met veel uithoudingsvermogen, steeds oplettend, aktief en begaafd met de ware herdershondenaard.

Maten:
De lichaamslengte is langer dan de schofthoogte, verhouding ongeveer als 10 tot 9. De schofthoogte reuen van 57 tot 62 cm. De schofthoogte teven van 55 tot 60 cm.

Variëteiten:
Naar beharing onderscheidt men: *korthaar *langhaar *ruwhaar.

Gangen:
Vlot, soepel, normaal; benen niet "gebonden" voorwaarts gebracht, doch evenmin zwevend of uitgrijpend.


Beschrijving der lichaamsonderdelen
  • Hoofd
    Afmeting in goede verhouding tot het lichaam; vorm eer gestrekt dan zwaar. Zonder plooien en droog. De voorsnuit iets langer dan het vlakke voorhoofdgedeelte. De neusrug recht en evenwijdig met de schedel verlopend; weinig stop. Goed aansluitende lippen. Bij de ruwhaar variëteit lijkt het hoofd een meer vierkante vorm te hebben; dit is schijn.
  • Oren
    Eer klein dan groot. In aktie straf staand, naar voren gedragen, hoog aangezet. Vorm: niet lepelvormig.
  • Ogen
    Donker gekleurd, middelgroot, amandelvormig (geen knikkeroog), enigszins schuin geplaatst.
  • Neus
    Steeds zwart.
  • Gebit
    Krachtig van ontwikkeling en regelmatig gevormd. Bij gesloten mond komen de bovensnijtanden vòòr en tegen die van de onderkaak; het zogenaamde schaargebit.
  • Hals
    Verlangd wordt een niet te korte, droge hals, zonder plooien en geleidelijk verlopend in de bovenlijn van de romp.
  • Romp
    Stevig, ribben licht gewelfd. Borst diep, doch niet smal. Onderborst geleidelijk overgaande in de buiklijn. Rug kort, recht en krachtig. Lendenen stevig, niet lang of smal. Kruis mag niet kort of afvallend zijn.
  • Voorbenen
    Krachtig, goed gespierd en geknookt. Over het geheel steeds een rechte lijn vormend, doch met voldoende vering in middenvoetsgewricht. Schouders goed aansluitend aan de borstkas. Ligging van het schouderblad schuin, met een aansluitende bovenarm van goede lengte.
  • Achterbenen
    Eveneens krachtig, goed gespierd en geknookt. Normale, matige hoek vormend in het kniegewricht, waardoor ook het dijbeen niet overdreven schuin komt te lopen. Ook in de spronggewrichten wordt matige hoekvorming gewenst, zodanig, dat de hiel juist in de lo dlijn vanuit de zitbeensknobbel komt te vallen. Geen hubertusklauwen.
  • Voeten
    Goed gesloten; teenleden gebogen, waardoor lange voeten worden voorkomen. Zwarte nagels en elastische, donkere voetzolen.
  • Staart
    In rust recht of hangend met lichte buiging. Lengte tot het hielbeen. In aktie sierlijk opwaarts gedragen, nimmer krullend of zijwaarts vallend.
  • Vacht
    Korthaar, langhaar of ruwhaar. Zie voor meer informatie: variëteiten.

Fouten:
  • Te veel wit aan borst of voeten, dan wel witte streep of vlek elders op het lichaam.
  • Geen zwarte neus.
  • Slaphangend of lepelvormig oor.
  • Foutieve kleur of aftekening en te veel zwart dekhaar.
  • Over- en onderbijten.
  • Gecoupeerde oren of staart.
  • Krulstaart.